26/03/09

Knokke-Heistse zuidpoolgidse gestrand op Kroatisch zwerfschip

Op 11 maart 2009 kwam voor de Knokke-Heistse Kristine Hannon een einde aan haar 3 maanden lange prachtige avontuur als expeditielid op cruises naar Antarctica. Zo leek het althans want de eigenaar van het schip, Mato Stanovic van Elegant Cruises, staat op bankroet en kan (of wil?) niemand meer betalen. Hierdoor heeft de volledige hotelploeg het cruiseschip de M/V Andrea verlaten. Kristine die bij gebrek aan financiële middelen haar vliegtuigreis naar Bolivië heeft geannuleerd, vaart nu al een paar weken als enige vrouw met 21 Kroatische matrozen en met een beperkt rantsoen naar een onbekende bestemming. De Knokke-Heistse vermoedt dat de nieuwe kapitein, die in Buenos Aires aanmonsterde, in opdracht van de rederij het schip in 1 ruk naar het Kroatische Split wil brengen. Dat is een haven waar de rederij geen schulden heeft. Zo wil men vermijden dat de bemanning aan het muiten slaat en het schip als chantagemiddel gebruikt om aan hun centen te geraken. De Knokke-Heistse sympathiseert echter met de matrozen. Via het internet wil ze dan ook ruchtbaarheid geven aan deze wantoestand zodat onder druk van de internationale media recht geschiedt voor de bemanning. Ondertussen nadert de Andrea de Straat van Gibraltar. Kristine Hannon hoopt dat de kustwacht aan boord stapt zodat de sociale problematiek aan het licht komt. Mogelijk kan de International Transportation Federation, een vakorganisatie voor zeelui, dan de eigenaar alsnog dwingen om het loon van de scheepslui uit te betalen. Ondertussen heeft ze van de kapitein vernomen dat haar vliegtuigticket voor 5 april klaar ligt. Blijkbaar wil de familie Stanovic dat hun Belgische lastpost zo vlug mogelijk het schip verlaat. De vraag is echter of met dit alles haar veiligheid niet in het gedrang komt…

Een greep uit het dagboek van Kristine Hannon

16 krammen in het hoofd van een blondje
Op 8 december 2008 vertrok de Knokke-Heistse Kristine Hannon naar Ushaia om er als lid van het expeditieteam aan te monsteren op het cruiseschip de M/V Andrea voor een drie maanden durend avontuur op de zuidpool. Na de eerste cruise eindigde haar droom bijna vroegtijdig door een zware val tijdens het kruisen van de gevreesde Drake Passage, de stormachtige en beruchte wateren die Zuid Amerika scheiden van het Antarctische schiereiland. De scheepsdokter zette meteen de schaar in haar lange blonde lokken om vervolgens 16 krammen in haar hoofd te schieten. Een verschoven werveltje in haar staartbeen bracht soms hevige pijn met zich mee maar het voorstel van de kapitein om de duur van één cruise in Ushuaia te blijven, werd door de Knokke-Heistse resoluut van de hand gewezen.


Amerikanen hoesten 12.000 dollar op ten voordele van de albatros
Gedurende vijf 10-daagse reizen loodste ze de toeristen met een rubberbootje langs de ijsbergen en gaf ze op het schip lezingen over de zuidpoolavonturen van beroemde ontdekkingsreizigers zoals de Belgische Adrien de Gerlache. Door haar prachtige foto's op een cd te branden en te verkopen aan de Amerikaanse toeristen zamelde ze 12.000 dollar in ten voordele van 'Save the Albatross', een actiegroep die vecht tegen de illegale visserij die verantwoordelijk is voor de wrede dood van 100.000 van deze majestueuze zeevogels per jaar.

Met Britten naar de Falklands
Na de vijf korte trips, volgden nog twee reizen van 20 dagen. Naast het Antarctisch schiereiland brachten die Britse passagiers naar het ver afgelegen eiland South Georgia en de Falklands. In Stromness bliezen windvlagen van 90 kilometer per uur haar rubberbootje bijna ondersteboven. De lekkende lieslaarzen, het slecht werkende communicatiemateriaal en de gebrekkige buitenboordmotoren maakten iedere operatie zwaar en frustrerend.

Spookschip
Op 11 maart, de laatste dag pakten zich donkere wolken samen boven de Andrea. Haar salaris bleef uit en ook de scheepsbemanning zag sedert eind januari geen cent meer. Kristine bleef samen met 21 Kroatische matrozen en officieren over en werd meteen gebombardeerd tot keukenhulp. Zo zwalpte ze rond op een spookschip zonder echte bestemming totdat bleek dat Elegant Cruises een aantal stromannen heeft ingehuurd om het schip zo vlug mogelijk te doen afstevenen naar de thuishaven Split.

Dinsdag 17 maart 2009:
Wanneer ik ’s morgens ontwaak, zie ik door mijn raam de eerste zeevogels voorbij scheren. Ze lijken op Jan-van-Genten maar ik weet het niet zeker. Mijn boek met Antarctische zeevogels is opgeborgen en in dit tropisch klimaat al lang niet nuttig meer.
Op de brug kan Boris me ook geen antwoord geven wanneer ik hem naar hun naam vraag.
‘Het enige dat ik weet, is dat ze deze morgen de ruiten van de brug hebben vol gescheten’ zegt hij verontwaardigd ‘en net deze die geen ruitenwisser hebben!’
Ik raadpleeg de zeekaart in de kaartenkamer en stel vast dat we deze nacht drie graden noordelijker en twee graden oostelijker zijn gevorderd. Onze positie is nu 18°27’Z – 38°40’W en we bevinden ons nog altijd voor de Braziliaanse kust. Dat is iets anders dan de bescheiden, 64 kilometer lange kustlijn van ons patattenlandje. A rato van een graad of 3-4 per dag betekent dit dat we nog vijf dagen te varen hebben vooraleer we de magische 0° zullen bereiken en de onzichtbare scheiding tussen het noordelijke en zuidelijke halfrond passeren.
‘De motor heeft deugd gehad van het grondige onderhoud gisteren’ vertelt Boris ‘schrik niet, maar het was zo’n dertien jaar geleden dat ze zo grondig is nagezien. We varen nu aan iets meer dan 14 knopen en dat is nog niet eens volle gas. En we halen weer 140 rotaties per minuut, wat voordien teruggelopen was tot niet meer dan 110.’
Niets dan goed nieuws dus deze morgen.

Ik ben benieuwd of er al iets meer geweten is over onze plaats van bestemming, en open mijn mailbox. Volgens Begona, werkzaam in het kantoor van Elegant cruises, is het nog steeds Funchal. Maar ze raadt me aan contact op te nemen met alweer een andere persoon, dit zeer tot Boris zijn verbazing. In ieder geval, ik stuur de mens een mailtje. We zien wel wat het wordt. De Kapitein ziet er anders geen graten in:
‘Er zijn overal ter wereld luchthavens’ zegt hij ‘je raakt wel thuis. Of voel je je niet op je gemak tussen al die mannen?’ vraagt hij terwijl hij in mijn oor blaast….
‘Ik voel me hier prima’ antwoord ik ‘en ben niet gehaast om naar huis te gaan. Maar thuis zitten ze wel te wachten op een datum.’
Ik denk er eigenlijk net zo over als hij: ik raak wel thuis, waar we ook heen mogen gaan.
Tussen mijn mails ook nieuws van Stefan. Hij heeft deze week herhaalde keren gebeld en gemaild naar onze illustere werkgever, evenwel zonder antwoord te krijgen. Maar naar verluidt zou de maatschappij vers geld hebben gevonden en de kans is dus groot dat het lang verwachtte salaris toch nog op onze rekening komt. Ik mag het hopen!
Vandaag glip ik de wasserij en de provisiekamer binnen om wat foto’s te maken. De kans is groot, indien ik het vraag aan de kapitein, dat ik een negatief antwoord krijg. Dus sluip ik de trap af naar dek drie, neem de verboden bemanningsgang die een dek lager uitkomt en maak enkele onofficiële beelden van de catacomben van ons schip. Goed dat ik mijn weg ken in het labyrint van gangen en trappen hier.
Morgen is de machinekamer aan de beurt, benieuwd of dit ook zo makkelijk gaat.
Later in de voormiddag doe ik mijn was. Met de hand natuurlijk. In de douche worden handdoeken, lange broeken en T-shirts alsook ondergoed geschrobd en gespoeld. Daarna gaat alles op kapstokken en bengelt er even later een allegaartje van textiel buiten aan de reling van het schip. In geen tijd is alles droog en klaar om opnieuw vuil te worden. En dat is niet moeilijk met deze hitte en het zeezout dat je om de oren vliegt.

’s Namiddags geniet ik van de buitenlucht en installeer ik me met lectuur en drank op een schaduwrijk plekje op het luchtige dek. De zeevogels zijn er nog steeds. Met drie zijn ze. Algauw gaat mijn boek aan de kant en spendeer ik meer tijd aan het bewonderen van de visserskunsten van deze dieren. Ze scheren rakelings langs het schip om dan plots in duikvlucht in het warme water te verdwijnen en even later, enkele meters verder, voldaan terug boven te komen.
Het zijn alleen de vogels en de vissen die verraden dat we niet meer in Antarctica zijn, en de buitentemperatuur natuurlijk. Want de zee lijkt overal dezelfde, ijskoud of tropisch warm, het maak geen verschil. Neem een foto van de Drake Passage (bij kalme zee welteverstaan) en één van deze warme wateren in dezelfde omstandigheden en niemand zal weten wat waar vandaan komt. Water is water, punt andere lijn.

Na het diner - gebakken hesp met worteltjes, tomaten en komkommers – is het aangenaam buiten zitten. De verzengende hitte van de middaguren heeft plaats gemaakt voor meer getemperde temperaturen en een verkoelende zeebries. De vogels zijn er nog steeds.
Na de zonsondergang verschijnen al snel de eerste sterren en hoe donkerder het wordt hoe talrijker ze lijken te worden. Dat wordt pas echt duidelijk als ik Zarko meesleur naar het panoramische dek op de boeg. Slechts schaars verlicht is het de beste plaats om in rugligging op het warme teakhout de wonderlijke hemel te bestuderen. Twee vallende sterren zien we en elk doet zijn wens, in stilte. Het sterrendeken rolt en stampt, als een halve bol hangt zo hoog boven ons maar lijkt steeds dichter te komen naarmate onze blikken er blijven aan kleven. ‘Starry, starry night, paint your palet blue and gray…’
Onze Andrea is net een stukje kaas onder een stolp die men maar niet op zijn plaats krijgt: een beetje meer naar links, nee, naar rechts, nu… Onder deze twinkelende hemel denk ik na over het woord melancholie en waarom je sommige liedjes zingt als je intens gelukkig bent terwijl ze je tezelfdertijd ontzettend melancholisch maken. Liedjes die je lang vergeten was of waarvan de woorden uit je hoofd waren verdwenen, terwijl ze nu plots als uit die hemel boven je komen neergedwarreld. Melancholie is geen droefheid, alhoewel het zo aanvoelt, maar intens geluk om wat geweest is. En misschien nooit, of toch wel, terugkomt. Wie weet…
Mijn besluit staat vast: als we de evenaar ’s nachts overvaren, slaap ik buiten! Zeker weten (als het niet regent natuurlijk)!
In de zwoele nachtlucht op dek 7 wappert de was van onze kapitein in de warme wind en wordt de stille sterrennacht doorkleeft met Kroatische liederen die uit de luidsprekers galmen, ze vertellen het verhaal van verloren liefdes en gesneuvelde vrienden.
Twee dekken lager op de boeg van de Andrea gaan de mannen aan het drinken en zingen. Het is Secundo, de tweede officier, zijn verjaardag. En hoewel ik graag in hun vreugde had gedeeld, trek ik me terug in mijn kajuit. Mijn belofte aan Stefan in gedachten.

En de vogels, die zijn er nog steeds.

Woensdag 18 maart 2009:
Mijn dagelijkse brugbezoek sla ik over want vandaag ga ik aan het werk, vrijwillig welteverstaan. Een hamer, een beitel, stoffer en blik en een staalborstel zijn mijn wapens. Opdracht: losgekomen verf loswrikken en de daaronder gelegen roestdelen verwijderen. Met die plakkerige zonnecrème op mijn lichaam zie ik er algauw uit als een bestofte werkman die net van de werf komt. Het is ongenadig warm en op dek 6 schijnt de zon meedogenloos terwijl het zweet uit mijn poriën gutst. Daarenboven slaat de warmte van de schoorsteenuitlaat neer op onze oververhitte lichamen. Leve de koelte van Antarctica!
De werkuren van de matrozen zijn nu als volgt: na het ontbijt start de werkdag om 8 uur, tegen tienen wordt een korte pauze van een kwartier ingelast en om 11u30 wordt de lunch geserveerd (vandaag gebraad met wortels en spinazie, brood en roomijs als dessert). Om 13 uur gaan de werkzaamheden verder om te eindigen met het avondeten om 17u30.
Op de brug draaien de drie officieren shifts van telkens 4 uur. Dubo, de eerste officier, werkt iedere dag tussen 4 en 8, en 16 en 20 uur. Secundo, de tweede officier, is aanwezig van 12 tot 16 en van 24 tot 4 uur. Tenslotte schieten voor Boris, de derde officier, de werktijden van 8 tot 12 en van 20 tot 24 uur over. En de kapitein? Die komt af en toe eens binnenwippen.
Na de middag zoek ik de koelte van mijn kajuit op en bereid een paar e-mails voor die ik morgen zal versturen.
Wanneer de temperaturen een beetje dragelijker worden kom ik terug buiten. Honderden kleine, donzige wolkenplukjes trekken grijze en witte strepen op het immense, blauwe wateroppervlak. En terwijl zij langzaam als een ongeordende colonne voorbijdrijven naar het zuiden, zoek ik verkoeling in mijn boek ‘The Crystal Desert, summer in Antarctica’.
De nieuwe kok Ivi, één van de Kroatische bemanningsleden, doet zijn best en probeert met het weinige dat nog aanwezig is zoveel mogelijk variatie in ons menu te steken. Wat niet altijd gemakkelijk is. In Buenos Aires is er geen voedsel aan boord gekomen en we doen het dus met de restjes van de laatste cruise. Tweeëntwintig man voeden gedurende 22 dagen, dat zijn een hoop maaltijden ( ontbijt + 2x warm eten per dag) en langzaam raken sommige dingen uitgeput. Ondertussen zijn de aardappelen op en de groenten beperken zich tot een soort diepvriesspinazie, worteltjes, tomaat en komkommer en paprika’s. Hesp en kaas bereiken stilaan hun vervaldatum en het is zuinig omspringen met spek en eieren. Water is er voorlopig nog voldoende maar met deze temperaturen is het verbruik hoog. Het zelfgebakken brood is echter de max. En pasta is er blijkbaar meer dan voldoende, want naast scampi’s krijgen we deze avond penne met tomatensaus.
Na zonsondergang verschijnen er honderden kleine vissersbootjes aan de horizon, hun witte lichtjes als naar beneden gedonderde sterren die nu in en rechte lijn op het donkere water drijven.
Het is rustig in de bemanningsruimte, hoogstwaarschijnlijk hebben ze gisterennacht meer dan genoeg bier geconsumeerd. Alcohol voor de bemanning is beperkt wegens vermeend drankmisbruik bij sommige zeemannen. Enkel bier en wijn zijn verkrijgbaar en sterke drank zoals whisky wordt achter slot en grendel bewaard en is enkel toegestaan – na raadpleging van de kapitein - voor speciale gelegenheden zoals een verjaardag. Het drankbeleid is op ieder schip anders. Hier beperkt het zich tot lichte alcohol maar op andere schepen zijn dan weer wel geestrijke dranken toegestaan. Voor het brugpersoneel gelden twee regels: geen alcohol binnen de vier uur voor je aan je wacht begint en geen spetter alcohol in je bloed. Een wet die zowat een jaar of vijftien geleden werd ingesteld. En wat mij nog het meest verbaasde: het gebruik van alcohol is verboden wanneer een schip zich in de haven bevindt. En regel die hier, begrijpelijk, alvast zwaar met de voeten getreden werd. Het zijn trouwens de enige momenten dat deze hardwerkende mannen eens een paar uurtjes vrij zijn.
Het wordt dus een alcoholvrije filmavond en op het programma staan ‘Beyond the Void’, een waar gebeurd verhaal over een hachelijk bergbeklimmeravontuur in de Peruviaanse Andes, en ‘Serpico’ met Al Pacino als eerlijke politieman in een corrupt korps. Tegen elf uur gaan de lichten uit en trekt iedereen zich terug is zijn eigen kleine wereldje.

Donderdag 19 maart 2009:
Varen op een schip zonder bestemming, het heeft wel iets. In de kaartenkamer zoek ik in het scheepslogboek enkele gegevens op. Vooreerst de ochtendpositie van gisteren en vandaag, het boek vermeldt: 18 maart om 08.00, 13°12’Z – 38°07W en voor vandaag 08°05’Z – 34°57’W. Nog acht graden te gaan…. Ik ben ook wel eens benieuwd naar de afstanden die we hebben afgelegd. Niet alleen sedert ons vertrek uit Buenos Aires, nu een goede week geleden, maar ook de totale gevaren afstand sedert ik in dezelfde stad aanmonsterde op 11 december.
Van Buenos Aires tot nu hebben we 1896 mijl onder de kiel wat ongeveer 3413 kilometer betekent. Wanneer ik in het boek terugblader en de afstanden van Buenos Aires naar Ushuaia en van de 5 korte en 2 lange cruises daarbij optel kom ik aan een astronomisch bedrag van 21.168 zeemijl (x 1,852) of 39.203 kilometer! Een simpele rekensom: Buenos Aires tot Ushuaia 1553 zijmijl, 1850 per kort cruise, 3723 voor de eerste lange en 4746 zeemijl voor de tweede, plus de nu reeds afgelegde afstand van de trans-Atlantische overvaart. Ik schrik er zelf van, tegen het einde van de reis zal ik meer dan de omtrek van de aarde zijn rondgevaren….
Bladerend in het logboek merk ik nogal wat roodgekleurde aantekeningen. Het zijn allemaal meldingen van besturings- en motorproblemen…
Mijn mailbox brengt slecht en goed nieuws: nog steeds geen salaris en Stefan heeft besloten raad te vragen aan een advocaat, hij houdt ons op de hoogte. Het goede nieuws is een werkaanbieding van Silversea cruises die zomaar uit de lucht komt gevallen. Het betreft een job op de Prins Albert II als expeditie teamlid. De details volgen. Misschien zal ik toch niet zo hard moeten zoeken om een nieuwe job te vinden aan boord van een schip. Afwachten en niet te vroeg victorie kraaien.
Van Slavko, West Wind en diegene die mijn vlucht richting België moet boeken, krijg ik volgende mail: ‘De Andrea is onderweg van Buenos Aires naar Europa. Van zodra we de uiteindelijk bestemming weten regel ik je vlucht en stuur je de details door.’ Hallooooo, ik weet ook wel dat we op weg zijn naar Europa!!! Ik zit immers OP het schip! De vraag is echter WAAR in Europa.
Tijdens mijn mailsessie hoor ik een geanimeerd gesprek van Drazen (één van de matrozen) met zijn vriendin. Na afloop komt hij, samen met Zarko en Boris, naar met toe:
‘Kristine,’ begint Boris,’wat ik je nu ga vertellen is vertrouwelijke informatie, ‘off the record’ laat ons zeggen. Het schip zal hoogstwaarschijnlijk naar Split in Kroatië varen. Wij zijn ook nog steeds niet betaald en het feit dat de Andrea misschien naar zijn thuishaven vaart voorspelt weinig goeds over de kans om ons geld te zien. Vanuit Cadiz of Funchal moeten ze voor alle bemanningsleden de vlucht naar huis vergoeden en zouden wij het schip kunnen laten stoppen. Vanuit Split zijn de kosten voor het thuisbrengen van de Kroatische bemanning minimaal. Als we tegen dan ons geld niet hebben, stappen we naar de ITF (International Transport Federation), dat is een internationale vakbond voor zeelieden. Ik vrees dat Elegant cruises in diepe problemen zit en het zou kunnen dat ze dan het schip moeten verkopen.’
Hoe zal dit aflopen? Ondertussen werken de mannen verder in de verzengende zon, zwijgzaam vandaag…

Tegen het avondeten zijn de gemoederen wat bedaard en worden er grapjes gemaakt over de werkelijke eindbestemming van het schip.. Saoedi-Arabië, dat is het, daar gaan we heen! Een rijk land met hoge lonen…

Vandaag help ik met de afwas. Ik wil absoluut iets doen om het werk van mijn lotgenoten een beetje te verlichten en morgen ga ik aan de kapitein voorstellen om die taak voortaan op mij te nemen. Ik ben tenslotte officieel bemanningslid, weliswaar onbetaald, en meer bepaald keukenhulp…

Vrijdag 20 maart 2009:
Tijdens het ontbijt stel ik voor aan de kapitein om vanaf vandaag de afwas op mij te nemen. Dat wordt vooral door de mannen in dank afgenomen, want terwijl ik bezig ben krijg ik chocolade en bier als bedanking. Mijn lade met kleurige lollies, plakkerige snoepjes en Argentijnse chocolade, die ik gedurende de laatste drie maand van de matrozen kreeg toegestopt, raakt overvol.
‘Goed werk!’ zegt Bosi terwijl hij een blik Becks in mijn handen stopt ‘je doet het snel en grondig.’
‘Natuurlijk’ grap ik ‘ik ben dan ook een VROUW!’

Op de brug is het tegen acht uur al snikheet. Onze snelheid is 12,8 knopen en de positie is 04°16’Z – 32°44’W. We naderen de ‘Arquipelago de Fernando Noronha’, een godvergeten eilandengroepje van weelderig begroeide pieken en hoge kliffen, neergedropt in de onmetelijke oceaan. Met de verrekijker zie ik enkele bescheiden nederzettingen en een radiomast. Negen dagen lang varen we reeds langs de Braziliaanse kust en ook dit archipel is er een deeltje van, een reusachtig land. En nu beginnen we aan de grote oversteek naar Cabo Verde voor de kust van Senegal.

Mijn mailbox brengt geen nieuws over de niet betaalde lonen noch over de plaats waar ons spookschip heen vaart. Wel krijg ik van verschillende passagiers bezorgde mailtjes want blijkbaar hebben ze het één en ander opgevangen. Ik stel ze gerust, alles is goed met mij. Zeer goed zelfs.
‘En?’ vraagt Boris ‘heb je nieuws voor ons? Het is eigenlijk wel grappig dat ik dat aan jou moet vragen wanneer IK eigenlijk de eerste zou moeten zijn die van alles op de hoogte is….’ Stelt hij vast.
Maar neen, geen nieuws dus.

Mijn lakens en handdoeken gaan in de wasmachine op het bemanningsdek want vers textiel zit achter slot en grendel en niemand heeft daarvan de sleutel gekregen. Na twee uur komt alles er druipend nat uit want de centrifuge en de pomp die het water moet afvoeren, laten het afweten. Ook de droogkast levert maar half werk en zo hangt de gang op dek 5 ’s avonds vol drogende linnen. Morgen kan ik douchen en mijn bed terug opmaken. De afwas doen is vandaag een hachelijke onderneming. Voor het eerst sedert ons vertrek uit Buenos Aires is de zee ruw en het bestijgen van de steile trap, de handen vol met grote manden borden en bestek, vergt behoorlijk wat behendigheid en een goed inschatten van het rollen en stampen van het schip. Nadien nestel ik me op dek 5. Het is niet altijd makkelijk om een rustig plaatsje te vinden uit het oog van de nieuwsgierige mannen en het resulteert vaak in een paar verhuissessies naar een meer geschikte locatie. Mijn lichaam vertoont ondertussen alle bruinschakeringen die een zongebrand lijf hebben kan en ik wil de boel een beetje egaliseren, vandaag is de achterkant aan de beurt…

Het is 21.00 uur, nog 01 graad en 58 minuten te gaan, dan wisselen we van halfrond. Mijn plan om de nacht buiten door te brengen, moet ik jammer genoeg laten varen want tegen de avond worden we om de haverklap gezegend door een verkoelende, maar erg natte, tropische regenbui. Ik besef dat ik het woord ‘jammer’ hier de laatste maanden maar weinig gebruikt heb. Het zegt meer dan genoeg over de schitterende ervaring die ik hier heb meegemaakt, alleen is het spijtig dat het bijna gedaan is.
Op de brug legt Boris me uit hoe ik de tijd tot de evenaar kan berekenen.
‘Ik zal je een lesje navigatie voor amateurs geven’ grapt hij ‘zoals voor weekendkapiteins met een jachtbrevet. Kijk, je meet met de passer de afstand van onze huidige positie naar de evenaar, langs de lijn van onze uitgestippelde koers. Op de zijkant van de kaart meet je dan hoeveel graden dat is. Eén graad is 60 minuten en één minuut is gelijk aan een zeemijl. Je vermenigvuldigt het aantal graden met 60 en deelt dat door onze snelheid. Zo, ETA (estimated time of arrival) is morgenvroeg om 06.45 uur.’
Het is ondertussen pikdonker op de brug en er verschijnen grote gele vlekken op het radarscherm terwijl ons schip wordt omgeven door honderden kleine gele stippen.
‘De grote, van vorm wisselde vlekken zijn laaghangende wolken of regenbuien’ legt Boris uit ‘de kleintjes zijn de weerspiegeling van golftoppen.’
‘Hoe weet je dat het golftoppen zijn en niet kleine vissersbootjes’ vraag ik.
‘Meestal zijn die stippen dan iets groter of helderder, maar erg kleine bootjes zijn niet te onderscheiden van de grote golftoppen.’
‘En hoe zit het met de voorrangsregels?’ wil ik weten.
‘In de scheepvaart telt voorrang van rechts, ‘way of right’. Daarbij is de boeglijn belangrijk. Deze markeert je koers tot het volgende ingestelde punt op de radar en wordt gemarkeerd door deze groene lijn op het scherm. Wanneer het donker is en een schip van rechts je boeglijn gaat kruisen zie je enkel het rode licht dat de bakboordzijde aangeeft. Het groene licht aan stuurboordzijde blijft verborgen. De lichten zijn zo aangebracht dat je maar in één situatie beide ziet en dat is als het recht op je afkomt. Het moment dat het vaartuig je boeglijn passeert is erg belangrijk want dan gelden er immers andere voorrangsregels, het bevindt zich dan immers aan je linker zijde. Je gebruikt in de scheepvaart ook nooit de termen ‘in front of’ en ‘behind’ maar ‘ahead’ of ‘astern’.
Met deze wijze les heb ik het gehad voor vandaag. Bedtijd, want ik wil morgen mijn historisch passage van de evenaar niet missen!

Zaterdag 21 maart 2009:
Als ik om 06.10 de brug binnenstap, geeft de GPS 00°07’589”Z aan. Dubo, eerste officier, is van wacht en hij ziet er niet bepaald gelukkig uit.
‘Het laatste nieuws is dat we rechtstreeks naar Split varen,’ begint hij ‘we maken nergens nog een stop. Het ziet er slecht uit. Split is de thuishaven van het schip en zowat de enige plaats waar Elegant cruises geen onbetaalde rekeningen heeft. Ik vernam vanmorgen dat hun tweede schip, de Monet, ook langszij ligt en de bemanning daar ook niet werd betaald. Vanaf het moment dat Mato Stanovic en zijn dochter Tatjana het schip in 2002 kochten en het in een dure Zweedse scheepswerf lieten renoveren, begonnen de problemen. Het oorspronkelijk geplande budget van 10 miljoen dollar werd al snel overschreden en toen het schip klaar was waren ze 18 miljoen kwijt. Natuurlijk diende de Andrea als onderpand voor de gemaakte schulden bij de Zwitserse bank. Die wil hen nu geen extra kredieten meer verstrekken. Als er tegen onze aankomst in Split geen oplossing of compromis gevonden wordt met één van de maatschappijen die de Andrea regelmatig chartert, zal het schip verkocht worden. Hun seizoen in Antarctica is steeds een succes maar het zijn de trans-Atlantische overtochten die hen een financiële kater bezorgen. Het management trekt op niets. Biedt die overtochten tegen een schappelijk prijs als partycruise aan en in één dag verkoop ik op de markt in Dubrovnik alle tickets, verdorie. Dit schip huisvest 110 passagiers, op de reis naar het zuiden hadden ze 23 betalende gasten en nu geen enkele. Weet je hoeveel dat kost, alleen al aan brandstof?’ vraagt hij. ‘Ongeveer 150.000 dollar! Wat een bullshit is dit allemaal, ik hou me kalm maar vanbinnen kookt het. De familie Stanovic zal er niet slechter van slapen want hun persoonlijk vermogen is veilig maar mij moeten ze nog 12.000 dollar!’ briest hij. Waarmee ik nu ook zijn salaris ken…. 500 dollar per dag dus.
‘Ik wacht af wat er volgende week gebeurt,’ gaat hij verder, ‘desnoods stappen we allemaal naar het ITF en jij samen met ons. Ik geef je dan wel het e-mail adres. Dat je geen zeemanspaspoort hebt is van geen belang, je bent sedert je eerste dag aan boord lid van de bemanning, expeditie team of niet, je hebt dus je rechten net zoals ieder van ons. Punt uit.’

Om 06.59 verspringt de GPS van zuid naar noord. Het regent.

‘Pas op voor de doop,’ waarschuwt Dubo me later ‘je mag wel een lading water verwachten vandaag. Dat is gebruikelijk als iemand voor het eerst de evenaar kruist.’ Als ik even later op weg ben naar de eetzaal voor een kop koffie, zie ik Zarko de keuken uitsluipen met een emmer in zijn hand.
‘Wel, wat heeft dat te betekenen’ verras ik hem ‘wat ben jij wel van plan?’
Hij schrikt even en er verschijnt een geamuseerde glimlach op zijn gezicht.
‘Euh, niets. Ik moet iets doen, kun je me even helpen?’
‘Neen, ik ga je niet helpen, ik ga een kop koffie drinken’ is mijn vastberaden antwoord.
Uiteindelijk moet ik er toch aan geloven wanneer hij me tijdens het ontbijt, en tot groot jolijt van de rest, een glas water over het hoofd giet.
‘Triestige poging’ zeg ik.
Maar hij glundert… Met een volle emmer komt hij even later de eetzaal binnen, en ik zoek veilig de tafel van de kapitein als dekking.
‘Mislukt!’

Tijdens het middageten geen glunderende gezichten. De mannen zijn schijnbaar kalm maar hun gezicht verraadt bezorgdheid, ongeloof en boosheid. Ik bewonder hen, hoe ze in deze omstandigheden – bijna twee maand zonder loon – nog steeds hun werk blijven doen. Al is het niet meer van harte.
Sanjin heeft een ontstoken oog en ik help hem met gerief uit mijn persoonlijke apotheek. De dokter, die me vol ijzer schoot en mijn kapsel ruïneerde, is in Buenos Aires afgemonsterd. Ik hoop maar dat niemand hier een ernstig ongeval krijgt, en dat is niet denkbeeldig met het werk dat de mannen op het schip en in de machinekamer uitvoeren, want dat zou wel eens nare gevolgen kunnen hebben.
Na het avondeten galm Dubo’s stem door de luidsprekers. Een bericht in het Kroatisch natuurlijk en dat is zo goed als Chinees voor mij, onverstaanbaar. Maar hij vervolgt in het Engels: ‘En voor onze enige vrouw, passagier en tevens lid van de bemanning: vanavond bereiken we een nieuwe tijdzone. Zet dus je uurwerk een uur vooruit.’

Ik voel me honderd procent veilig tussen mijn lotgenoten. Ze tonen respect voor me en ik moet zelden of nooit rechtstaan als ik aan tafel iets nodig heb. Ik heb mijn plaats gevonden tussen hen. En alhoewel ze niet allemaal even spraakzaam zijn, sommigen hebben een erg beperkte kennis van het Engels en mijn Kroatisch nu is ook weer niet zo goed, voel ik hun goedkeuring. Er zijn er maar twee die ik wantrouw: Bosi, een flink uit de kluiten gewassen machinist die voorheen enkele ‘toenaderingspogingen’ ondernam en de nieuwe kapitein die, wanneer ik buiten het zicht van de rest in de kaartenkamer mijn mails check, steevast in mijn oor komt blazen of me ‘terloops’ een kus geeft in de hals.

Zondag 22 maart 2009:
De GPS op de brug vermeldt om acht uur 04°43’N – 27°47’W.
Wat de bestemming betreft, het wordt wel eens tijd want inmiddels zijn we al een eindje in het noordelijk halfrond en Europa is bijna in zicht, bij manier van spreken. Ondertussen is nu, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, geweten dat het niet Funchal of Cadiz wordt maar dat de Andrea naar het Kroatische Split vaart, ongeveer de enige plaats waar ze geen openstaande schulden heeft . Slecht nieuws voor ons salaris want ook de bemanning van hun ander vaartuig werd niet meer betaald sedert januari en het schip ligt er langszij met een minimum bezetting. Ook een stop in de Kaapverdische eilanden is afgeblazen en zo zullen we een volle 23 dagen op zee hebben doorgebracht en zal het evenveel dagen geleden zijn dat ik nog een vrouw, mezelf in de spiegel niet meegerekend, zal hebben gezien. De schrik dat de mannen de boot aan de ketting leggen in de eerste haven die we aandoen, zit er dus diep in. En zodoende zal ik voor het eerst in mijn leven een, weliswaar kort, bezoek brengen aan het thuisland van mijn lotgenoten. Hoe ik tenslotte zal thuis geraken is nog een raadsel want informatie over een geboekte vlucht voor mij is er nog niet. Ach, het is allemaal deel van het avontuur, als we allemaal maar onze centen krijgen.

Datcha komt na het ontbijt bij me zitten.
‘Hoe is het met jou vandaag’ vraag ik hem.
‘Niet goed’ antwoord hij ‘veel werken en geen salaris. En nu varen we naar Split. De meeste van ons wonen er in de omgeving. Hier is je paspoort en ga nu maar, zo zal het gaan. Waarom varen we niet naar een andere haven en laten we het schip daar stoppen? Dat is wat ik en sommigen zouden willen. Tot we ons geld krijgen. Maar ik ga niet van boord tot ik betaald ben, ook niet in Split. Mijn vrouw werkt niet en mijn 20-jarige zoon is net afgestudeerd als elektricien, zij moet de rekeningen kunnen betalen. Maffia is het, dat zeg ik je. En dan is er Bolson, de eerste matroos. Hij zou achter ons moeten staan, maar hij heeft vreemde banden met West Wind, de bemanningsagent. Bolson is gescheiden en zit diep in de schulden. West Wind betaalde daar een groot deel van af in ruil voor een aantal maanden gratis werk. Hij heeft dus niets te verliezen want hij ontvangt toch geen salaris en als hij meedoet zal dat door West Wind niet in dank worden afgenomen. Wat een zootje!’ en hij zet zijn woorden kracht bij met een niet mis te verstaan armgebaar.

Ik heb met hem te doen, zoals hij daar ineengezakt voor me zit. En het me begint te dagen. Waarom lijkt de toestand aan boord de kapitein niet te deren en is hij aangemonsterd op een schip waarvan hij weet dat niemand meer betaald is sedert januari? Waarom is Dubo’s plan om het schip in een andere haven te laten stoppen veranderd en wil hij, eens we in Split aankomen, zo snel mogelijk naar huis? Waarom blijven deze mannen verder werken, ook op zondag? Waarom spreekt Datcha van ‘maffia’? En waarom zitten ze niet allemaal samen aan tafel om te bespreken welke stappen ze kunnen ondernemen? De kleine puzzelstukjes die ik hier ondertussen heb opgeraapt beginnen zich in mijn hoofd tot een ontstellend geheel te vormen. Ik ben er bijna zeker van dat Kapitein Zlatko en Miho, de nieuwe chief engineer, vooruit betaald werden en dat eerste officier Dubo ondertussen wel zijn salaris ontving of in ieder geval genoeg garanties kreeg daaromtrent. Hun taak is waarschijnlijk om de gemoederen te bedaren tot het schip ter bestemming is en ondertussen de mannen met een kluitje in het riet te sturen om muiterij te voorkomen. Met de twee hoogste officieren als stromannen durft de rest niets te ondernemen uit schrik later problemen te krijgen bij het vinden van werk op een ander schip. Daarbij zijn ze één iemand vergeten, en dat ben ik. Internationale scheepvaartwetten zeggen duidelijk dat een bemanningslid dat niet werd betaald niet van boord gezet kan worden. Elegants cruises zal wel zorgen dat mijn ticket naar huis klaar ligt, en wel met de eerste vlucht beschikbaar. Want het risico dat ik aan boord blijf, als enige buitenlandse en als vrouw, zullen ze waarschijnlijk niet durven nemen uit schrik dat ik er misschien de Belgische kranten en televisie bijhaal en hen zo onder druk kan zetten. Ze zijn deze potentiële onruststoker waarschijnlijk liever kwijt dan rijk. Temeer omdat ik op die manier ook het hele expeditieteam vertegenwoordig. Als ik door te weigeren het schip te verlaten - en daarover een beetje tumult te maken in mijn land van afkomst - gewicht in de schaal kan leggen zowel voor de bemanning als voor mijn teamleden, zal ik dat zeker doen.

Terwijl ik de afwas met de hand doe, sleutelt Vlaho, de elektricien, aan de vaatwasser die - goed geraden - defect is. Ook het strikt afvalbeleid aan boord komt in het gedrang. Wanneer ik de vuilbakken leeg en aan onze kok Ivo nieuwe vuilzakken vraag, blijken die op te zijn.
‘De afvalruimte zit vol’ verdedigt hij zich ‘na een 22-daagse cruise met 76 passagiers en 50 bemanningsleden is dat natuurlijk niet te verwonderen. In Buenos Aires werd die niet leeggehaald en bleven de containers op de kade onaangeroerd staan. Onze verbrandingsoven, waar we normaal alle niet biologisch afbreekbare maar wel verbrandbare materiaal ingooien, werkt niet naar behoren en alle kisten waar normaal de kussens van de dekstoelen in liggen, zitten al vol. Ik weet het ook niet meer, hoor. Alle organische en dus biologisch afbreekbare resten, smijt ik overboord.’ Zucht hij wanhopig. In volle zee mag dat, dat kan het probleem niet zijn, maar als Bolson erbij komt begrijp ik Ivo’s verontwaardiging. Terwijl ik geen raad weet met de laatste zak lege plastiek flessen en blikjes, komt hij op me af.
‘Overboord smijten’ gebaart hij met zijn armen.
Ik weiger. Nooit van mijn leven. Ik ben gechoqueerd en pruttel tegen:
‘Maar Bolson, dat is plastiek en metaal. Kun je dat niet gewoon ergens zetten. Dat zal niet stinken!’ Hij kijkt me doordringend aan, iedereen in de eetzaal zwijgt. Ik verlaat de ruimte en laat de zak achter. Een half uur later is ze verdwenen. Ook de machtsverhoudingen aan boord worden me stilaan duidelijk… de mannen hebben schrik.

De theorie die ik tijdens de laatste dagen aaneen gebreid heb, houd mijn gedachten de hele namiddag bezig. Onze expeditieleider, die toch al 30 jaar met matrozen samenwerkt, was voor zijn vertrek heel formeel: de bemanning zou iets ondernemen. Dat dit niet gebeurd is versterkt mijn vermoeden alleen maar: ze kunnen of durven niet.

’s Avond zitten Zarko en ik buiten op het dek.
‘En?’ vraag ik hem ‘wat gaan jullie nu doen?’
‘Niets’, hij haalt de schouders op.
‘Ik begrijp het niet hoor’, zeg ik hem, ‘waarom blijven jullie maar verder werken aan het opkalefateren van dit schip, terwijl de meeste lopen te morren over werken en geen salaris? Waarom zitten jullie niet allemaal samen en bespreken wat te doen eens we in Split aankomen.’
‘Bolson probeert de gemoederen te bedaren met de belofte van West Wind om ons tegen 25 april een eerste schijf te betalen, en de meesten geloven hem. Maar ja, hij is dan ook een stroman van het bedrijf.’ antwoord hij.
‘Maar Zarko,’ leg ik hem uit, ‘ons werd beloofd het salaris te storten de laatste dag van ons contract. Dat was 11 maart. En we ontvingen nog steeds niets. Je gelooft dat toch niet! Je weet toch dat 25 april net na de aanvang is van de geplande cruise naar de Azoren?’ vraag ik hem.
‘Ja’ zegt hij en kijkt me vragend aan.
‘Wel, dat is toch niet moeilijk te verstaan’ zeg ik verontwaardigd ‘natuurlijk beloven ze tegen dan geld. Als jullie voordien iets ondernemen kan immers het vertrek van die cruise in het gedrang komen. Je begrijpt toch waar ze mee bezig zijn? Jullie in slaap te sussen.’
Hij kijkt me aan alsof ik hem op iets betrapt heb.
‘Kijk’ begin ik terug ‘ik zal je eens uitleggen wat ik ervan denk.’ En ik vertel hem de theorie die ik in gedachten heb. Als ik klaar ben glimlacht hij flauwtjes.
‘Je hebt het helemaal begrepen.’
‘In ieder geval’ sluit ik af ‘als sommige van jullie toch mochten besluiten om in Split te weigeren van boord te gaan, dan doe ik mee! En misschien blijf ik wel alleen en haal er de Belgische kranten en TV bij. Verdorie, er zijn twee dingen die ik niet kan uitstaan en dat is liegen en onrechtvaardigheid. En jullie doen allemaal alsof jullie neus bloed. Maar jullie hebben allemaal dubbel en dik jullie salaris verdiend, punt uit!’
‘Bedankt’ fluistert hij en met een bezorgd gezicht zinkt hij weg in zijn gedachten. Schrik, dat is het.

Maandag 23 maart 2009:
Naarmate we verder noordwaarts varen en de tropen achter ons laten, worden de temperaturen stilaan draaglijker. Het logboek vermeldt 09°27’N – 27°31’W als acht uur positie.
Terwijl kapitein Zlatko mijn hand streelt en zijn neus in mijn haren plant, check ik mijn e-mails.
Stefan’s e-mail vermeldt niets nieuws: zijn pogingen om contact te krijgen met de eigenaars van het schip blijven onbeantwoord. De advocaat die hij raadpleegde stelt voor om tot het einde van de week te wachten en zo onze werkgever voldoende tijd te geven actie te ondernemen. Gebeurt er niets, dan wordt eind deze week een procedure opgestart. Hij wil weten hoeveel salaris iedereen tot nu toe ontvangen heeft. Hij vermeldt ook dat hij opgevangen heeft dat Noble Caledonia de charters met de Andrea heeft opgezegd. Dus geen trip naar de Azoren op 23 april.
Er is ook goed nieuws. Denise Landau (Silverseas Expeditions), verantwoordelijke voor het samenstellen van het expeditieteam op hun schip Prins Albert II, wil graag met me samenwerken. In haar tweede mailtje vraagt ze me wanneer ik ter beschikking ben dit jaar, te beginnen vanaf 28 mei. Ze is druk bezig met het invullen van de werkschema’s en wil me graag aan boord. Dat ziet er dus goed uit.

Op de brug ’s avonds is het stikdonker. Enkele de lichtjes van de radars maken groene cirkeltjes in de lucht.
Ik kijk mijn mails na.
‘Geen nieuws’, vraagt Boris.
‘Neen’ antwoord ik ‘en van Slavko heb ik ook nog niets gehoord in verband met mijn vlucht. Als ze slim zijn zullen ze wel maken dat de tickets klaar liggen. En wel met de eerste de beste vlucht. Ze gaan het risico niet nemen dat ik aan boord blijf. Dat kleine Belgische wicht zou wel eens voor problemen kunnen zorgen. Ik kan er de Belgische media bijhalen. Liegen en onrechtvaardigheid kan ik niet uitstaan, dan wordt ik boos.’

Dinsdag 24 maart 2009:
Wanneer ik ’s morgens op de brug kom ligt de zeekaart van de Kaapverdische eilanden op tafel. Tegen de middag zullen we tussen Cabo Verde en Senegal varen . Er wordt niet gestopt en ook niet gebunkerd. Met een snelheid van 12,8 knopen bereiken we om acht uur 13°52’N – 23°32’W.
Terwijl ik in de eetzaal een kop koffie drink, komt een van de machinisten bij me zitten.
‘Nog nieuws van Stefan?’, vraagt hij.
‘Neen’, antwoord ik, ’geen nieuws en geen salaris. Hij probeert Tatjana vast te krijgen maar dat blijkt niet te lukken. Hij is naar een advocaat gestapt. En bij jullie, wat gaan jullie doen?’ is mijn vraag.
Hij zucht diep en krabt in zijn haar.
‘We kunnen niets meer doen’ is zijn gelaten antwoord. ‘De enige optie was het schip te stoppen in Buenos Aires. Ik begrijp niet waarom Stefan toen niets ondernomen heeft. Zelfs jij alleen had de Andrea kunnen verhinderen af te varen. Ieder niet betaald bemanningslid kan dat, zelfs in zijn eentje’ vervolgt hij.
Ik moet toegeven dat ik inderdaad ook verwacht had dat Stefan het schip zou laten stoppen, temeer omdat hij steeds maar herhaalde dat er dingen te gebeuren stonden. Ook ik was erg verwonderd toen we die avond van 11 maart zijn afgevaren. Maar wat ik niet wist is dat IK het schip had kunnen stoppen.
“Waarom heeft niemand me dat toen gezegd?’ vraag ik hem.’ Ik had dat zeker gedaan.’
Hij haalt zijn schouders op.
‘En waarom hebben jullie het schip niet gestopt’ is nu mijn vraag.
‘Wij konden dat toen niet.’ En hij legt uit ‘Kijk, wij worden pas de 15e van de maand betaald. Onze stop in Buenos Aires was op 11 maart dus hadden wij nog geen recht om zoiets te ondernemen. De enige die in die mogelijkheid waren, dat waren jullie het expeditieteam. Want jullie salaris moest 28 februari gestort zijn. Eens we uit Buenos Aires vertrokken en de 15e gepasseerd was, beseften we dat wij in hetzelfde schuitje zaten. Maar toen was het te laat. De eigenaars van het schip zagen de bui al hangen en hebben ons voor schut gezet en ervoor gezorgd dat we niets meer kunnen doen. Ze stelden een nieuwe, en vooruitbetaalde, kapitein en chief engineer aan die de opdracht kregen het schip in één ruk en zonder stops naar Split te brengen. Dat kunnen ze want in Buenos Aires hebben ze genoeg brandstof gebunkerd, nokvol zat de tank. Net genoeg om zonder stoppen in Split te geraken, nog een paar druppels zullen we over hebben. Allemaal netjes vooraf gepland. De kapitein is een persoonlijke vriend van Slavko met wie hij regelmatig een pint pakt, dat heeft hij me per ongeluk zelf verteld, dus moet hij zeker de salarisproblemen aan boord van vooraf geweten hebben. Het is duidelijk: de kapitein is een vooruit betaald mannetje van het bedrijf. De enige kans die we nog hebben is Gibraltar. Bij het binnenvaren van de middellandse zee kunnen ze het schip langszij laten leggen ter controle, maar die kans is zeer klein. Anders rest er ons enkel de kapitein op te sluiten en het schip over te nemen, muiterij dus, maar dan moeten we allemaal samen aan één zeel trekken en dat zal niet gebeuren, uit schrik om nadien geen werk meer te vinden of wegens belangenvermenging. Een allerlaatste mogelijkheid is als er iemand sterft, dan moet het schip ook langszij.’
‘En in Split’ vraag ik ‘kunnen jullie daar niet weigeren van boord te gaan?’
‘Wat zal dat opbrengen?’ antwoord hij. ‘de eigenaar van de boot is een persoonlijke vriend van de havenmeester. Waarom denk je dat hij naar daar vaart? Hij kan er langszij liggen zolang hij wil, kosteloos. Hun andere schip, de Monet, ligt daar al. In een andere haven kost hem dat misschien 1000, 2000 of meer dollars per dag. Hij heeft dus niets te verliezen. Hij heeft tijd, zo’n bezetting kan weken duren. Maar wij, als we weigeren te vertrekken, verliezen iedere dag meer geld. Wij moeten onze rekeningen betalen en dus zo snel mogelijk ander werk vinden. Eens in Split zal het ITF, de vakbond, aan boord komen en dat is het. Ik zeg het je: we zijn gegijzeld en kunnen niets doen, zoals in een gevangenis. De eigenaars hebben het vooraf goed uitgedokterd en ons schaakmat gezet. Maffia is het, crimineel. Godverdomme!’
Ik weet eventjes niet wat gezegd…. dit is zwaar maar waar. En ik kan wel een paar dagen, misschien een week, blijven maar ik moet ook mijn brood verdienen. Niet meer betaald sedert eind januari en nu 23 dagen zonder salaris, mijn rekening raakt stilaan leeg.
‘In ieder geval’, probeer ik hem tenslotte te sussen, ‘als er iets is wat ik kan doen, je zegt het maar. Ik sta achter jullie.’
‘Bedankt’ zucht hij ‘maar het is te laat vrees ik. Stefan had het schip in Buenos Aires moeten stoppen, dat was onze enige kans. Hij zal ook wel zijn geld gekregen hebben’ speculeert hij.
Dat kan toch niet? Of toch? Neen, dat weiger ik te geloven.
Tijdens de afwas spookt het door mijn hoofd. Wat kan ik doen? Zorgen dat de kustwacht in Gibraltar getipt wordt? Hoe moet ik dat aanpakken, zonder dat iemand dat ziet en is dat wel een goed idee? Of de Belgische ambassade in Kroatië contacteren? Ik weet het niet.
Maffia, daar lach je niet mee. Er is dus een reden waarom kapitein Zlatko altijd rond mijn fluiten draait en vanuit mijn nek meekijkt als ik mijn mails check. ‘Is er nog nieuws? Welke taal is dat? Je hebt wel veel vrienden als je zoveel mails schrijft?’ en meer van die vragen. Ik moet beginnen uitkijken.

Na mijn avondshift en het reinigen van de vaatwasser komt de kapitein naar me toe met een document. Het is warempel informatie over mijn vlucht naar huis op 5 april, daags na onze aankomst in Split!! Eén dag na mijn uitval tegen Boris gisterenavond, dit kan geen toeval meer zijn. Van binnen kook ik. Ik ben woedend! Zie je wel! Ik heb gelijk, ze willen me verdorie zo vlug mogelijk weg hebben!!
Later zit ik samen met enkele matrozen.
‘Je hebt een vlucht naar huis, heb ik gehoord’ zegt Ivo, de kok.
‘Ha, natuurlijk!’ antwoord ik laconiek ‘ je ziet dat van hier dat ze mij zo vlug mogelijk willen ‘verwijderen’. Ze weten dat ik heel wat trammelant kan maken als ik er de Belgische kranten en TV bij haal. En ik verzeker je: ik ben een brave maar als ze me kwaad krijgen, blijf je beter uit de buurt!’ bries ik.
Ze kijken me aan alsof ze het in Keulen horen donderen. Kleine zus is boos, erg boos! En ik mag dan misschien een beetje schrik hebben gekregen, dat wil nog niet zeggen dat ik mijn mond zal houden.
Ik moet nadenken. Ze hebben schrik van mij. Enerzijds is dat goed want dat betekent dat ik inderdaad gewicht in de schaal kan leggen. Anderzijds is schrik een gevaarlijke raadgever voor iemand met veel geld en connecties zoals de eigenaars van Elegant cruises, de Stanovics. Maffia? Is dat niet een beetje overdreven? Ik weet het niet.
Als ik iets wil ondernemen, zoals aan boord blijven, heb ik hulp nodig van buitenaf. Mensen die vertrouwd zijn met zo’n toestanden en mensen die ruchtbaarheid geven aan de zaak. Waar vind ik die en hoe lang zal dat duren? En hoelang zal ik op de brug het internet nog mogen gebruiken? Er is niet veel tijd meer, nog 3 dagen en we varen de Straat van Gibraltar binnen…
Woensdag 25 maart 2009: 18°09’N – 20°51’W
De Andrea rolt en stapt, tijdens de afwas klutst het water in de pompsteen heen en weer. Net zoals mijn gedachten. Terwijl ik nadenk ga ik naar de provisiekamer en vul de drank aan in de koelkasten van de eetzaal.
Om mijn gedachten wat te verzetten help ik ’s morgens met de schilderwerken. De zon schijnt uitbundig en het is aangenaam buiten.
‘Wat ga je nu doen’ vraagt Zarko.
‘Ik weet het niet’ is mijn eerlijk antwoord. ‘Ik heb gisterenavond een mail verstuurd naar familie, vrienden en kennissen met de vraag om raad. Ik wacht af wat ik daarop als antwoord krijg. Kijk, ik wil geen domme dingen doen, daarom moet ik weten wat de mogelijkheden zijn en of die een kans op slagen hebben. Ik wacht dus af. Heeft er bij jullie eigenlijk al iemand het ITF verwittigd?’ wil ik weten.
‘Ik denk het niet’ zegt hij.
Ik begrijp er niets meer van.

Op de brug ontmoet ik de kapitein.
‘Goedemorgen’, begroet ik hem, ‘alles goed?’
‘Hmmm, zo zo’ zegt hij en schudt het hoofd. Nu zal het komen, denk ik.
‘Ik hoor niets op mijn linker oor, ik ben deze morgen zo opgestaan’, verduidelijkt hij, ‘ik zal mijn goede vriend, de dokter, bellen’. En hij kijkt me aan alsof ik zou moeten weten wie dat dan wel is.
‘Wel’, gaat hij verder, ‘DE dokter. Je kent hem toch, hij is in Buenos Aires, toen ik aan boord kwam, net afgemonsterd.’
Wel wel, denk ik, ’t is niet waar hé!
De kapitein verdwijnt in zijn kajuit.
‘En, Kristina’, begint Boris, ’je gaat naar huis?’
‘’t Ja, het moet er eens van komen hé. Stilletjes aan verlang ik toch wel mijn familie terug te zien’ zeg ik hem.
‘Wie heeft dan uiteindelijk je ticket betaald’ wil hij weten.
‘Slavko van West Wind’ verduidelijk ik ‘ik vlieg met Malev via Budapest naar Brussel.’
‘Ha, het goedkoopste ticket dus. Normaal regelen ze vluchten via Duitsland, maar dat kost een pak meer. West Wind is dan ook maar een klein bedrijf, ze werken maar voor twee schepen en dat zijn de Andrea en de Monet’, legt hij uit.
‘Dat wil dus zeggen dat ze enkel voor Elegant cruises, dus voor de Stanovics werken’ zeg ik verbaasd.
‘Inderdaad’ repliceert hij.
Ik laat niets merken maar in mezelf produceer ik een glimlach van ongeloof.
’s Avonds controleer ik mijn e-mails.
‘Gaat het een beetje’, vraagt Zarko.
‘Mijn ouders, dochter, familie en vrienden zijn ongerust. Ze schrijven allemaal in koeien van letters dat ik naar huis moet komen. Ik weet dat mij moeder de laatste week waarschijnlijk niet meer geslapen heeft en dat zal nu alleen maar erger worden. Zij zijn nog steeds het belangrijkste voor mij en ik zou het mezelf nooit vergeven indien ze iets zou krijgen. En mijn dochter Melissa begint me erg te missen. Anderen staan dan weer achter me en bieden hulp aan en hoe graag ik ook iets zou willen doen, mijn familie komt op de eerste plaats. Dus ik ga naar huis. Het enige wat ik zal doen indien er geen nieuws is begin volgende week, is het ITF verwittigen en contact opnemen met de Belgische ambassade in Kroatië.’
Zarko zwijgt, we zitten er allebei verslagen bij.
In mijn bed denk ik aan thuis – ma, pa en Melissa – en voel me slecht dat ze door mij slapeloze nachten hebben. Dit heb ik niet gewild, ik wou alleen opkomen voor mezelf, mijn teamgenoten en de bemanning. Mijn broer heeft gelijk: pas toch een beetje op naar wie je deze berichten stuurt, heeft hij gemaild. Ik heb sommigen onnodig erg ongerust gemaakt. Verdorie.
Ik kan de slaap niet vatten.

Donderdag 26 maart 2009: 22°32’N – 17°44’W
Wanneer ik ’s morgens – iets later dan gewoonlijk – aan het ontbijt verschijn, zit Datcha druk te schrijven.
‘Ik ben sollicitaties aan het voorbereiden’ zegt hij ‘ik werk niet verder voor een bedrijf dat zijn werknemers niet betaalt. Ik moet zo snel mogelijk een job vinden op een ander schip.’
Ik knik begrijpend en ga verder met het verorberen van mijn boterhammen met choco.

In mijn kajuit bereid ik enkele mailtjes voor. Enkele bevriende journalisten willen ruchtbaarheid geven aan de zaak en dat is goed. Baadt het niet, dan schaadt het niet. Een bevriende advocaat wil me helpen met de juridische kant van de zaak en een neef heeft weet van iemand bij Buitenlandse Zaken die me, in geval van problemen in Kroatië, kan bijstaan. Het doet goed te lezen dat iedereen met ons meeleeft en ik spendeer dan ook heel wat tijd aan het formuleren van antwoorden.

’s Namiddags geniet ik van het zonnetje op dek 7.
‘Kristina, Kristina’, wekt Drazen me uit mijn middagdutje.
‘Kijk!’, en hij wijst enthousiast naar de zee.
Een school dolfijnen geeft er het beste van zichzelf en ze spetteren, springen en tollen door de lucht om daarna in een gordijn van water terug te verdwijnen. De dolfijnenshow heeft succes en het is hartverwarmend te zien hoe deze zeebonken de sierlijke dieren al fluitend en roepend aanmoedigen. Een kwartier later is het spektakel ten einde en zet iedereen zich terug aan het werk. Het tempo vertraagt met de dag en klusje van enkele uren nemen nu een volle dag in beslag. Een koffietje hier, een sigaretje daar en een praatje ginder, wie zal het hen kwalijk nemen? Waarom zouden ze zich dag na dag, zelfs op zondagvoormiddag, nog uit de naad werken? De kans dat ze er ooit voor vergoed worden, wordt met de dag kleiner. En ondertussen ziet onze Andrea er met al dat geschilder al een stuk beter uit, ware het niet van dat vreselijke groen dat we allemaal afgrijselijk vinden.
‘Dit is het soort groen dat op gastankers wordt gebruikt’ verduidelijkt Boris.’Je ziet het van ver en het betekent: gevaar! Misschien willen ze met die kleur wel iets duidelijk maken’, grapt hij,’opgepast: Kristina aan boord!’
‘Toen ze die groene verf leverden dachten wij dat er een fout gebeurd was’, gaat hij verder, ‘dus namen we een foto van een stuk geschilderd in het oorspronkelijke groen en het nieuwe groen en verzonden dat als bijlage in een e-mail berichtje. Maar het bleek juist te zijn, tot onze grote verbazing.’

‘s Avonds op de brug bel ik met de satelliettelefoon naar mijn ouders om hen gerust te stellen en krijg ik ontstellend nieuws: papa heeft een ongeneeslijke ziekte die hem op termijn fataal zal worden. De grond zakt weg onder mijn voeten, ik kan het bijna niet geloven.

Vrijdag 27 maart 2009: 26°58’N – 14°32’W
Ik word ’s morgens vroeg wakker. Mijn ogen doen pijn en het is nog donker buiten. Ik knip het licht aan en vind naast mijn bed de pagina’s die ik gisteren van het internet heb afgedrukt alsook de e-mail van mijn broer. ‘Wat is A.L.S’ vermeldt het een en ‘minder goed nieuws uit Knokke’ staat er bovenaan het ander. Het besef slaat me nu pas echt als een mokerslag in het gezicht: papa heeft ALS. ALS is een ziekte van de zenuwen waarbij de zenuwcellen die de spieren activeren langzaam degenereren, met degeneratie van de spieren zelf tot gevolg. Volgende week krijgt hij een maagsonde ingeplant. Mijn papa zal aftakelen, ik mag er niet aan denken.
In gedachten zie ik mama, ontredderd, en de rest van de familie als aan de grond genageld. Ik wil naar huis, zo snel mogelijk! Waar ben ik mee bezig? Gerechtigheid, salaris?! Ik sta in de krant?! Wow, proficiat zeg, maar terwijl heeft mijn pa wel een ongeneeslijke ziekte! Het lijkt allemaal zo banaal, nu. Het interesseert me niet meer.
Toch mag ik zo niet denken. Alle mensen die mij de laatste dagen gesteund hebben – vrienden, familie en de media – verdienen dit niet. En ik zal dus doen wat ik van plan was: het ITF en de Belgische Ambassade in Kroatië inlichten. En dan, op 5 april, mijn familie in de armen sluiten.

Wanneer ik aan het ontbijt verschijn, weten de mannen het al. Zarko en Boris waren erbij toen ik het nieuws gisterenavond vernam en hebben me in eerste instantie opgevangen. Van sommige krijg ik een dikke knuffel, terwijl anderen een beetje op hun ongemak staan te draaien. Niet goed wetend wat te zeggen of te doen. Het wordt me te machtig en ik trek me terug in mijn kajuit. Dolfijnen trekken voorbij, spelend. Ik kan er niet van genieten.

Wanneer we na de middag de Canarische eilanden passeren piept mijn telefoon. Ik heb signaal! Ik bel mijn dochter op en daarna vorm ik het GSM nummer van papa. Hij weet ondertussen dat ik op de hoogte ben. Hij klinkt goed.
‘Ik zal mijn hobby’s blijven uitoefenen en samen met mama nog genieten van het leven, zolang het kan’ verzekert hij me. Het doet me deugd en ik voel me een stuk beter nu ik hem aan de lijn heb gehad en zijn optimisme hoor. Dat zal niet altijd zo zijn, maar dan werken we daar wel aan. Allemaal samen.

’s Namiddags val ik in slaap in het zonnetje. Ik wordt wakker van de koude wind. Er komen donkere wolken af.

Tijdens het avondeten komt Zoran naar me toe. Hij is altijd blij een babbeltje in het Duits te slaan met me want zijn Engels is povertjes.
‘Gaat het een beetje’, vraagt hij, ’als je hulp nodig hebt bij de afwas ’s middags dan zeg je het maar hé’, stelt hij voor.
Goran had ’s morgens ook al aangeboden mijn taak over te nemen. Hij is de jongste van de bende en als OS (ordinary seaman) ook de laagste in rang wat dikwijls resulteert in het uitvoeren van de meest gehate karweitjes. Ik wil hem die vernedering besparen. Kleine zus mag dan wel aangeslagen zijn, dat betekent nog niet dat ze niet kan werken. Zo proberen ze, elk op hun manier, hun medeleven te tonen en het siert hen.

Sedert enkele dagen controleer ik mijn mails ’s avond als Boris van wacht is en gaat ook Zarko met me mee. De kapitein zit dan meestal in zijn kajuit en als hij opdaagt is er zo minder kans dat hij ongewenste ‘handtastelijkheden’ pleegt. En het blijkt goed te werken.
Er is nieuws van Stefan, een antwoord op mijn mail van gisteren waarin ik hem uitleg hoe ik over de situatie denk en of ik misschien het ITF kan verwittigen. Hij raad me aan om aan de computer op de brug voorzichtig te zijn en er zeker niets te laten op staan. Hij heeft van Tatjana Stanovic de belofte gekregen dat we volgende week zouden betaald worden. Waar hebben we dat nog gehoord? Het is ook een tegenstrijdig antwoord met het bericht van haar vader dat de kapitein gisteren heeft ontvangen. Ik geef ze maar het voordeel van de twijfel. Het ITF moet ik niet meer verwittigen want: ‘De hele wereld weet al in welke situatie de Andrea verkeert’ schrijft hij. Hij zou eens moeten weten hoe dicht hij ertegenaan zit wat ons Belgenlandje betreft.
Het wordt dus alleen nog de Belgische Ambassade, maar dat is voor maandag.
‘En?’ vraagt Boris.’Nog nieuws van Stefan?’
‘Neen’, lieg ik voor het eerst, ’geen nieuws en geen salaris.’
Ik weet niet waarom ik gelogen heb, het gebeurde vanzelf alsof ik dacht dat dit het beste was op dat moment.

’s Avonds in mijn bedje denk ik aan thuis en hoe de engelbewaardertjes, die ik mijn ouders bij het afscheid in Zaventem heb gegeven, hun werk niet hebben gedaan. Ik denk aan onze werkgever en in gedachten transfereer ik papa ziekte naar hem. Niet zo fraai van me, ik weet het. Maar waarom gebeuren zo’n dingen altijd met de goeie? Waarom zijn ongeneeslijke ziektes per definitie niet voorbehouden voor slechte mensen? Ik denk ook aan moeke, mijn grootmoeder langs mama’s kant en 94 jaar oud. Zou zij het weten? En wat gaat er om in haar hoofd?
Ik krijg ook twijfels over mijn dagboek. Moet ik papa’s ziekte wel vermelden? Of moet ik mijn verhaal misschien niet meer doorsturen? Maar mijn dagboek helpt me en na meer dan 200 bladzijden kan ik het verhaal nu ook niet plots afbreken en doen alsof er niets aan de hand is.
Ik moet nu slapen.

Zaterdag 28 maart 2009: 31°08’N – 11°10’W
Ik heb een onrustige nacht achter de rug. Als ik ’s morgen wakker wordt denk ik aan mama en hoe zij zich nu moet voelen. Ik denk ook aan mijn voornemen om ooit het continent dat mij zo boeit aan mijn ouders en dochter te willen tonen. Ik had hen zo graag eens meegenomen naar die wondere witte wereld. Dat zal niet meer gaan. Ik denk aan de titel van het boek dat ik enkele weken geleden gelezen heb: ‘De helaasheid der dingen’ en aan de uitspraak die ik hier een tijdje geleden neerpende: ‘ik heb het woord jammer hier nog niet veel gebruikt’. Ik neem het de pinguïnhalsketting die ik van hen kreeg in mijn hand, hij heeft de warmte van mijn huid opgeslorpt. ‘Knuffel, Pa-Ma’ staat op de achterzijde gegraveerd. Ze zijn dicht bij me.

Aan het ontbijt zit ik naast Zarko;
‘Ik begrijp niet hoe jullie zo stoïcijns kalm blijven’, zeg ik hem, ‘sedert het bericht over mijn papa liggen de dingen voor mij anders. Maar voor jullie gaat de historie verder’
‘Kijk,’ leert hij me, ‘daar zeg je het. Wij hebben nog niet zo lang geleden een oorlog meegemaakt. We hebben vrienden of familie verloren, mensen zonder werk en mogelijkheden gezien en we hebben gevochten voor het weinige dat we nog hadden. Sommigen werkten in die tijd voor 3 euro per dag. Voor ons liggen de dingen nu ook anders, onze vechtlust is gebroken. Wij staan niet zo lang meer stil bij sommige dingen. Opstaan en verdergaan, dat hebben we geleerd.’
Als hij ziet dat ik beetje beschaamd ben over mijn vraag glimlacht hij en geeft hij me een stevige knuffel.
‘Maar dat jij ons gesteund hebt en het vechtwerk in onze plaats wou doen, zullen we nooit vergeten’, verzekert hij me.

In mijn kajuit bereid ik enkele mails voor. Ik krijg nog steeds berichtjes van passagiers van de laatste cruise die geruchten hebben gehoord over een in beslagname van onze Andrea en het niet betalen van het expeditieteam. Ian Clay en Robin Phipps bieden hulp aan, of ze niets kunnen doen voor ons via de chartermaatschappij Noble Caledonia. Verder doe ik het hele verhaal in een mailtje voor de Belgische ambassade. Ik verwacht er eigenlijk niets van, uiteindelijk dient een ambassade om landgenoten in nood te helpen, maar als ik niet probeer gebeurt er zeker niets.

’s Namiddags lig ik op dek drie te genieten van het zonnetje en val in slaap. Als ik wakker wordt ligt er een stuk chocolade naast me. Een troostend en hartverwarmend gebaar dat zich ondertussen in vloeibare toestand bevindt.

’s Avonds op de brug kijk ik mijn mails na.
‘Kristina’, zegt Boris, ‘als je dringende mails te versturen hebt, doe dat dan in de eerste 2 dagen. Sedert deze morgen functioneert de telefoon op de brug niet meer. Waarschijnlijk werd hij afgesloten wegens het niet betalen van de rekening. Ik verwacht met het internet hetzelfde. Waarschijnlijk zal 31 maart de laatste dag zijn dat je er gebruik van zult kunnen maken.’
Dat zou vervelend zijn maar er is niet aan te doen. Hopelijk hebben we tegen die tijd bereik met onze mobiele telefoon.
‘Naar ik vernomen heb’, gaat hij verder,’zijn alle cruises van de Andrea nu officieel afgelast. Het ziet er slecht uit.’
Dat is me al een tijdje duidelijk. Ik ben benieuwd wat er in Split zal gebeuren.
’s Avonds zitten Jarko en ik buiten.
‘Toen ik deze namiddag na een dutje in de zon wakker werd lag er een stuk chocolade naast me. Een troostend gebaar’, vertel ik hem.
‘Weet je van wie het komt?’, vraagt hij.
‘Ik denk het wel. Het is dezelfde chocolade die ik twee dagen geleden van Igir kreeg.’, verduidelijk ik.
Zijn gezicht betrekt en hij kijkt boos.
‘Wat scheelt er nu? Waarom kijk jij nu zo boos?’, wil ik weten, ‘dat is toch vriendelijk?’
‘Dat is helemaal niet vriendelijk’, roept hij, ‘ik heb je al gezegd dat er hier louche figuren aan boord zijn maar jij wil dat niet aanvaarden! Deze man zijn broer is een terrorist.’
‘Maar daar kan hij toch niets aan doen?’, probeer ik. Niet zo’n goed idee blijkbaar.
‘Igor heeft in de gevangenis gezeten wegens moord. En weet je hoe? Met een mes!’, zegt hij verontwaardigd. Hij springt recht van zijn stoel en verdwijnt.
Ik kan niet goed volgen, wat heeft het één nu met het ander te maken? En waarom is hij nu zo boos op mij? Wat moet ik doen, zeggen aan Igor dat ik zijn chocolade niet wil? Wat is dat nu voor zever! Ik kan alleen maar vermoeden dat hij jaloers is, want het is al lang duidelijk dat Zarko me echt graag ziet.
Na een pintje met de rest van de ploeg en een portie Kroatische TV via de satelliet, kruip ik in bed en probeer tevergeefs in slaap te geraken.

Zondag 29 maart 2009: 34°58’N – 07°04’W
Het is koud buiten en het regent, we naderen Europa. Tegen de middag zullen we de Straat van Gibraltar bereiken, waar volgens Boris gisteren een storm met windkracht 9 heeft gewoed. Het is eraan te merken want dit deel van de Atlantische Oceaan lijkt momenteel verrassend veel op de Drake Passage. Ons schommelpaardje ‘Andrea’ is in volle actie en bokt en steigert op weg naar de Middellandse zee. Tijdens de afwas grijp ik om me heen om borden en bestek bijeen te houden en langs de steile trap moet ik uitkijken dat ik niet voorover duikel.
‘Goedemorgen!’, begroet ik Zarko als hij de keuken passeert. Maar er komt geen reactie. ‘Koppige ezel’, denk ik. En al doet het raar niet door zijn glimlach begroet te worden, ik denk bij mezelf aan een Vlaams gezegde: hij heeft tijd van blij te worden!
Rond de middag is de Marokkaanse kust in zicht. Glooiende en verassend groene valleien, door de golven geteisterde steile kliffen, pittoreske dorpjes met elk hun kaarsrechte minaret en op de achtergrond de uitlopers van het Atlasgebergte. In de woelige zee drijven honderden minuscule vissersbootjes en de ferryboot van Casablanca naar Tanger tuft ons voorbij. Ver weg, voorbij het uiterste punt, zie ik de contouren van de Spaanse kust in een mistige waas opdoemen. Europa! En als we nu eens naar Zeebrugge voeren, grap ik in mezelf, het is vast maar even ver en dan ben ik op 5 minuten thuis…
‘Hallo, Zarko’, begroet ik hem opnieuw als hij op dek 6 nors in één van de stoelen onderuitgezakt zit tijdens zijn vrije zondagnamiddag. Maar weer geen reactie.
‘Meditel’ bloklettert mijn GSM, ik heb Marokkaans signaal en krijg achtereenvolgens mijn nonkel, mijn broer en mijn ouders aan de lijn. Het doet goed hun stem te horen. Nog een week en ik ben bij hen.
Een berichtje van mijn ex-schoonbroer met de vraag of hij iets voor me kan doen, tovert ook een glimlach op mijn gezicht. En terwijl blijft Zarko nukkig voor zich uitkijken…
Het is aangenaam buiten, uit de wind en in het zonnetje probeer ik een beetje te genieten van het zicht op het voorbijglijdende Marokkaanse landschap, verrekijker en fototoestel in de aanslag. We varen de straat van Gibraltar binnen en ondertussen zijn we ongemerkt de nul meridiaan gepasseerd. Niet alleen ben ik van het zuidelijk naar het noordelijk halfrond gevaren maar tevens van de westelijke naar de oostelijke helft.

‘s Avonds op de brug vind ik tussen mijn mails terug een berichtje van Darius over de werkaanbieding van Silverseas Expeditions. Het betreft een job op de Prince Albert II, een 132 passagiers tellend vijf sterren expeditieschip. Ik zou er als zodiak chauffeur en fotografe aan de slag kunnen. De Dvd’s die ik daar zou produceren lijken erg op de presentaties die ik maakte over mijn reizen. Een combinatie van foto’s, video en muziek. Ik beloof hem, eenmaal thuis, iets van mijn werk op te sturen. Ondertussen is dit al de zevende mail die ik van hen ontving en het is duidelijk dat ze graag met me zouden samenwerken. En dat is wederzijds. Maar ik weet niet wat te doen. Enerzijds is dit een buitenkans en als ik die niet grijp zijn mijn kansen op werk aan boord waarschijnlijk voorgoed bekeken. Anderzijds is er de toestand van papa. Kan ik het mijn ouders en mijn broer aandoen om opnieuw voor enkele maanden te verdwijnen en al de zorgen aan hen over te laten? In de maanden dat ik thuis ben kan ik me dan wel voor 110% voor hen inzetten, maar is dat voldoende? Zou een vaste job als verkoopster me nog gelukkig maken? Ik denk het niet, ik ben een avonturierster. Meer vragen en dilemma’s komen in me op terwijl ik mijn mails verder afwerk.
‘Goedenavond, Zarko’, zeg ik, terwijl hij bijna onzichtbaar op de kapiteinsstoel in de donkere brug zit.
Nog steeds geen reactie.

Maandag 30 maart 2009: 36°19’N – 01°05’O
Piekerend en gekweld door de hevige rolbewegingen van onze Andrea heb ik een onrustige nacht achter de rug. Dooreen geschud en van links naar rechts gerold lijkt mijn lichaam te weigeren op te staan. Buiten is het grijs, de regen klettert tegen het raam en er staat een felle wind. Een verroeste ijzeren emmer en vuilgeel isolatieschuim dobberen voorbij. De zee is ruw en schuimende koppen sieren de toppen van de ontelbare golven. Witte stippen in een onmetelijke waterplas. In de verte woedt een hevig onweer en de bliksemschichten verdwijnen achter de horizon. Ik heb niet het gevoel dat we op de Middellandse zee varen, wel integendeel. Ik ben eenzaam vandaag. Een slechte dag, dat is duidelijk.
‘Goedemorgen’, zeg ik tegen Zarko, terwijl hij in de eetzaal in zijn corn flakes zit te roeren. Weer niets. Ik geef het op. Ik doe mijn afwaswerk en verdwijn in mijn kajuit. De verwarming staat op en het is er aangenaam. Ik probeer mezelf wat op te monteren met een stuk chocolade uit mijn rijke voorraad. Het helpt niet.
Ik blijf de hele voormiddag in mijn eigen stekje. Ik denk aan papa die vandaag terug binnen moet in het hospitaal en morgen een maagsonde krijgt. Het dringt tot me door dat ik hem na afloop niet eens zal kunnen bellen! Geen GSM bereik en geen satelliettelefoon meer op de brug. En naar alle waarschijnlijkheid vanaf 1 april ook geen internet meer. Mijn sombere en eenzame bui blijft hangen.

In de eetzaal zit Jarko in zijn eentje zijn spinazie en aardappelen op te eten.
‘Goedemiddag’, probeer ik voor de laatste keer. Niets. Ik zet me naast hem.
‘Nog steeds beeld zonder klank?’, vraag ik.
‘Wablief?’
‘Nog steeds beeld zonder klank?’, herhaal ik.
‘Ik begrijp je niet’, antwoord hij.
‘Ah, laat ook maar’, en met een handgebaar wimpel ik hem af terwijl de tranen over mijn wangen rollen. Ik krijg een stevige knuffel…
Boris komt erbij staan en ik leg hem mijn communicatieprobleem uit.
‘Kijk, Kristina’, begint hij, ‘als er iets is en als ik je kan helpen, mag je me dat altijd vragen. We kennen mekaar genoeg om te weten dat we elkaar kunnen vertrouwen. Ik denk dat ik een oplossing heb voor je. Maar ik leg het je uit na de lunch. En ssssst, mondje dicht hé.’
Tijdens da afwas komt Boris naar me toe.
‘We hebben aan boord twee satelliettelefoons’, fluistert hij,’buiten die op de brug is er nog één in de machinekamer. Als je die gebruikt, zal de kapitein het te weten komen en dat is geen goed idee. Ik vermoed echter dat de telefoons in de kajuiten via deze satelliet werken. Met een beetje geluk zal de kapitein dit niet controleren. Probeer straks vanuit je kajuit, druk twee maal 0 en dan het telefoonnummer. Dan weet je of het werkt. En…. Mondje dicht hé!!’
Ik haast me met de afwas en sputter naar beneden. 00, 0032……. Ring ring…. het werkt!!!! De schat, bedankt Boris.
Alhoewel ik blij ben dat ik een boodschap heb kunnen achterlaten op het antwoordapparaat van mijn ouders, is mijn eenzaam gevoel niet verdwenen en ik krul me op in mijn bedje en slaap…

Ik ben een beetje opgekikkerd als ik twee uur later wakker wordt. Buiten is het nog steeds grijs en winderig en ik ga naar de eetzaal voor een kop koffie. Daar hangt een nieuw bericht aan de muur.
‘Wat is dat?’, vraag ik aan Boris. Hij vertaalt:
‘Dit is een verzoek van de kapitein aan de bemanning’, legt hij uit, ‘er wordt ons gevraagd om de eerste twee dagen na aankomst in Split geen liefjes of echtgenotes aan boord te brengen.’
‘Waarom niet?’ vraag ik hem.
‘Ik zou het niet weten’, schud hij zijn hoofd.’ Maar wacht eens,’ vervolgd hij, ‘wanneer vertrek jij naar huis?’
‘Twee dagen na onze aankomst, op 5 april’, antwoord ik hem.
‘Maar dat is het’, roept hij triomfantelijk, ’dat is de reden!’
‘Dat begrijp ik niet, hoor’, meld ik hem.
‘Als de vrouwen en liefjes aan boord komen en ze zien jou hier, zullen ze zeker vragen stellen aan hun mannen’, grapt hij, ‘zo van: ‘wat doet die vrouw aan boord’ en ‘je hebt helemaal niet verteld dat er een vrouw lid was van de bemanning’. Begrijp je?’ verduidelijkt hij.
‘Nu hou je me toch voor de zot?’ vraag ik hem.
‘Het klinkt misschien stom, maar dat zou wel eens de reden kunnen zijn, hoor. Anderzijds kan het ook zijn dat de papierhandel met het ITF eerst moet afgehandeld worden en er moet bepaald worden wie aan boord blijft.’, gaat hij verder, ‘tenslotte moet een schip in een haven een permanente bezetting van een man of vijf hebben. Enkele officieren en matrozen die in geval van problemen direct kunnen ingrijpen. Wie zich daarvoor, onbetaald en met een achterstallig salaris van 2 maand, zal inzetten is mij nog een raadsel.’
Tja, ik vraag het me ook af.
‘Heb je al geprobeerd of de telefoon in de kamer werkt’, fluistert hij.
‘Ja’, zeg ik gedempt enthousiast, ‘ik heb een berichtje nagelaten op hun antwoordapparaat. In ieder geval erg bedankt!’
‘Het is al goed’, gebaart hij, ‘kijk, we hebben je graag en zijn blij dat je bij ons bent. Je helpt ons waar je kan en dat appreciëren we. Het is mijn manier om je te bedanken. Maar mondje dicht hé!’ glimlacht hij samenzweerderig.

‘Ik heb uw bericht van 28 maart goed ontvangen en met aandacht gelezen. Ik hou u op de hoogte van de stappen die wij kunnen ondernemen’, bloklettert een bericht van de Belgische ambassade in mijn mailbox.
‘Na navraag bij ons ministerie van Buitenlandse zaken moet ik u meedelen dat wij noch via Washington, noch via Zagreb enige druk kunnen uitoefenen in verband met uw zaak, omdat het hier om een privébedrijf gaat’, meldt een tweede bericht enkele uren later. Ik had niets anders verwacht en ben dan ook niet echt teleurgesteld. Uiteindelijk was het het proberen waard.
Buiten is het ondertussen donker geworden en van op de brug zie ik de lichten van Algiers weerkaatsen op het lage wolkendek. Een miljoenenstad langs de Algerijnse kust.
‘Morgenavond bereiken we de noordkust van Sicilië’ verteld Boris,’ en varen daarna zuidwaarts door de Straat van Messina. Vervolgens ronden we de hiel van Italië en stevenen daarna noordwaarts richting Split. De laatste zes uur van de reis gaan reeds door Kroatische wateren en langs de 1154 eilandjes die we rijk zijn. Daarvan zijn er zo’n 57 echt bewoond.’
‘Dat is niet eerlijk’, zeg ik verontwaardigd,’wij Belgen hebben niet eens één eiland!’
‘Veel van die eilandjes zijn erg klein en zijn eigendom van een familie. Een beetje zoals in de Falklands’, legt hij uit,’ de familie van onze kok Ivo is eigenaar van zo’n eiland. Dit eigendomsrecht houdt wel in dat je niemand de toegang tot het eiland kan weigeren. Als ik op het strand van jou eiland wil liggen dan heb ik daar het recht toe, al kun je me er wel voor laten betalen.’
‘Maar dan zul je wel van die lekkere nootjes moeten meebrengen die je me gisteren aanbood’, grap ik terwijl ik een handvol vettige chips in mijn mond stop, ‘en niet van die plakkerige Duitse chips.’
Het is goed dat ik nog eens kan lachen.

Voor het slapen gaan krijg ik van Zarko nog een Reiki behandeling. Niet dat ik daar echt in geloof, maar het helpt me om te ontspannen en nog voor de behandeling ten einde is val ik in een diepe slaap.

Dinsdag 31 maart 2009: 37°11’N – 05°07’O
Als ik ’s morgens wakker wordt, piept de zon van achter mijn gordijn. Het belooft een mooie dag te worden en langzaam maar zeker komt Split dichterbij. Na de middag zullen we de Algerijnse kust achter ons laten en richting Sicilië stomen.
Deze morgen wordt papa geopereerd, een maagsonde moeten extra voeding toestaan als hij door zijn slikprobleem niet genoeg energie kan opnemen. Ik bel hem nog vlug op voor hij naar de operatiezaal moet. Zijn stem klinkt hees en zwakjes, ik schrik er even van. Maar zijn moraal is goed.
‘Ik ben nog vol energie en zal altijd vol energie blijven’, verzekert hij me. Ik geef hem gelijk, tegen beter weten in. Mama huilt. Alle plannen voor een lang leven samen zijn in enkele dagen tijd ingestort en net als ik kan zij maar niet begrijpen waarom zoiets steeds de beste en braafste overkomt. Nooit, maar dan ook nooit hadden wij zoiets verwacht. Maar dat is natuurlijk zo bij iedereen die met een ongeneeslijke ziekte wordt geconfronteerd. Troosten langs de telefoon is moeilijk, maar beiden proberen we elkaar te kalmeren. Ik bel deze avond om vijf uur terug.

Ondertussen doen hier verscheidene geruchten de ronde. Een Indiër zou 7 miljoen dollar hebben geboden voor het schip. En er zouden in totaal 50 kandidaat kopers zijn die een appel en een ei aanbieden.
‘Als het schip verkocht wordt’, weet Zarko, ‘dan krijgt de betaling van de bemanning voorrang. Dat is het eerste dat vereffend moet worden.’
‘Als het schip verkocht wordt’, corrigeer ik hem, ‘zal de bank eerst zorgen dat ze haar geïnvesteerde geld terugkrijgt. Als de Stanovics laat ons zeggen nog 10 miljoen dollar aan de bank moeten, zal de bank na een verkoop eerst die 10 miljoen terugvorderen. Blijft er dan nog iets over, dan heeft de betaling van onvereffende salarissen voorrang. Dat is correct. Maar als het schip maar 7 miljoen opbrengt, dan kunnen we allemaal fluiten naar onze centen’, concludeer ik.
Hij kijkt me ongelovig aan.
‘Maar, weet je dat zeker?’, zegt hij ontsteld.
‘Natuurlijk Zarko’, verduidelijk ik,’ een bank is geen liefdadigheidsinstelling.’
Ik zie aan zijn gezicht dat hij twijfelt, wie heeft hem dat nu weer wijsgemaakt.

’s Namiddags zit ik op dek zeven en probeer wat afleiding te zoeken in de autobiografie van Cyriel Van Meel, een oude vriend van me. ‘En toen zweeg… de Bolikoko’ vertelt het verhaal van zijn leven en vlucht uit Kongo en zijn terugkeer na 40 jaar. Ondertussen moet papa terug op de kamer zijn, hopelijk is het gauw vijf uur.
‘Ik heb wat informatie voor je’, komt Boris me vertellen.
‘Ah’, reageer ik vragend. Ik ben benieuwd en mijn verwachtingen hoog gespannen. Nu zal het komen, denk ik.
‘Wel’, verkondigt hij mee, ‘ik heb terug van die lekkere nootjes op de brug en ook betere chips. Ik moet een beetje voor je zorgen hé, zie dat je me anders niet meer wil komen bezoeken tijdens mijn wacht!’
‘Bedankt, ik kom zeker langs vanavond’, glimlach ik. Niet het soort informatie dat ik verwacht had maar misschien beter dan dat, want het komt recht uit het hart. Het doet me deugd.

Om vijf uur vorm ik het nummer van papa’s GSM. Geen antwoord. Ik probeer die van mama. Ook geen antwoord. Ik begrijp er niets van want we hadden duidelijk afgesproken. De schrik slaat me om het hart en ik probeer mijn dochter’s nummer. Zij zou tenslotte met ma meerijden naar het hospitaal. Via haar verneem ik uiteindelijk dat de operatie was uitgesteld tot 16 uur. Ik kan ze nu dus niet bereiken. Ik wil weten hoe alles verlopen is en kan tijdens het avondeten geen hap door de keel krijgen.